ECLI:NL:RVS:2023:2643
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 17 en 23 maart 2020 de aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond en wees de rechtbank Den Haag het beroep af. De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden tussen de vreemdelingen en hun in Nederland verblijvende zoon en broer. De staatssecretaris had niet de vereiste volledige belangenafweging verricht zoals vereist op grond van artikel 8 EVRM Pro en de jurisprudentie van de Afdeling.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het bestreden vonnis en het besluit op bezwaar en droeg de staatssecretaris op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt en de vreemdelingen gehoord dienen te worden. Tevens werd de proceskostenvergoeding aan de vreemdelingen toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep en beroep worden gegrond verklaard, het besluit op bezwaar wordt vernietigd en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.