ECLI:NL:RBDHA:2025:438
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken beschermwaardig familieleven
Eisers, vader en zus van een referent met asielstatus in Nederland, vroegen gezamenlijk een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan onder de beperking 'verblijf bij familie- of gezinslid'. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvragen af, waarna eisers bezwaar maakten en in beroep gingen. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde eerdere afwijzingen en gaf opdracht tot een herbeoordeling inclusief een hoorzitting.
Na een hoorzitting handhaafde de minister het besluit tot afwijzing, omdat niet was aangetoond dat sprake was van beschermwaardig familieleven op grond van artikel 8 EVRM Pro. Eisers voerden onder meer aan dat het besluit onjuist was ondertekend en dat er wel degelijk sprake was van afhankelijkheid en hechte persoonlijke banden.
De rechtbank oordeelde dat het gebrek in ondertekening gepasseerd kon worden op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat geen belangenverlies was gebleken. Vervolgens concludeerde de rechtbank dat de minister terecht had geoordeeld dat er geen sprake was van familieleven met bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen vader en referent, noch van hechte, persoonlijke banden tussen zus en referent. De rechtbank vond dat de minister daarom niet verplicht was een belangenafweging te maken.
Het beroep werd ongegrond verklaard en eisers werden veroordeeld tot betaling van proceskosten. De rechtbank benadrukte dat de wens van referent om zijn familie te ondersteunen begrijpelijk is, maar onvoldoende voor het toekennen van verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.