ECLI:NL:RVS:2023:2680
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek herziening en beroep niet tijdig beslissen inzake loonvaststelling en handhaving Wet minimumloon
Appellant heeft sinds 2018 meerdere klachten en verzoeken ingediend bij de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de minister over conflicten met zijn voormalige werkgever, met name over niet nagekomen afspraken omtrent bonussen en onderbetaling. Hij verzocht de minister om vaststelling van zijn loon en het aantal dienstverbanden volgens de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml).
De rechtbank Noord-Nederland oordeelde op 28 februari 2020 dat de minister niet bevoegd is om het loon van een werknemer vast te stellen of te bepalen of sprake is van meerdere dienstverbanden, en dat daarvoor geen wettelijke grondslag bestaat. Dit vonnis werd onherroepelijk omdat appellant geen hoger beroep instelde.
Appellant verzocht vervolgens om herziening van deze uitspraak en stelde de Inspectie SZW aansprakelijk wegens het niet handhaven van de Wml. De rechtbank wees het verzoek om herziening af en verklaarde het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Ook werd het verzoek om voorlopige voorziening en schadevergoeding afgewezen.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte oordeelde over de ontvankelijkheid van het beroep en de termijn voor schadeclaims, en dat de minister volgens artikel 18a Wml handhaver is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die de eerdere gemotiveerde beoordeling onjuist maken en bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van het verzoek om herziening en verklaart het beroep niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk.