ECLI:NL:RVS:2023:2683
Raad van State
- Hoger beroep
- E.J. Daalder
- H.J.M. Besselink
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat UWV slechts twee dwangsommen verschuldigd is wegens samenhangende verzoeken
Appellante heeft meerdere verzoeken en klachten ingediend bij het UWV over inzage en correspondentie met betrekking tot haar persoonsgegevens. Het UWV stelde bij besluiten van januari 2020 dat zij geen dwangsom verschuldigd was, maar verklaarde bij een bezwaarbesluit van juni 2020 een deel van de bezwaren gegrond en kende een vergoeding toe.
De rechtbank oordeelde dat de verzoeken van 10, 17 en 30 oktober 2019 inhoudelijk hetzelfde waren en dat het redelijk was dat het UWV slechts één dwangsom betaalde. Ook de verzoeken van 28 oktober 2019 werden als samenhangend beschouwd, waardoor slechts één dwangsom werd toegekend. Appellante stelde dat per verzoek een dwangsom verschuldigd was en verwees naar wettelijke bepalingen en eerdere jurisprudentie.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat vaste rechtspraak uitgaat van één dwangsom per besluit, maar dat bij (nagenoeg) gelijktijdige en inhoudelijk samenhangende verzoeken slechts één dwangsom verschuldigd is. De verzoeken van appellante hingen inhoudelijk samen omdat zij voortvloeiden uit hetzelfde contact en klacht, en de inzageverzoeken betroffen dezelfde persoonsgegevens binnen het UWV als verwerkingsverantwoordelijke.
Daarom was het standpunt van het UWV terecht en was de rechtbank juist in haar oordeel dat slechts twee dwangsommen verschuldigd waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat het UWV slechts twee dwangsommen verschuldigd is.