ECLI:NL:RVS:2023:1746
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving tegen bewoning bedrijfspercelen in Enschede
Het college van burgemeester en wethouders van Enschede legde in maart 2020 aan [appellant A] en anderen lasten onder dwangsom op vanwege het gebruik van bedrijfspercelen voor (on)zelfstandige bewoning, wat in strijd is met het bestemmingsplan "Havengebied - Westerval Noord". De betrokken panden werden door [appellant A] en [appellant C] in 2016 gekocht en vervolgens verhuurd aan [appellant B], die de panden verbouwde en bewoonde. Na controles en geconstateerde overtredingen werden dwangsommen opgelegd en bezwaarprocedures gevoerd.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar de appellanten gingen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling bevestigde dat het gebruik van de panden voor bewoning strijdig is met het bestemmingsplan en dat het college bevoegd is handhavend op te treden. Argumenten over het gebruiksovergangsrecht, het vertrouwensbeginsel, en het gelijkheidsbeginsel werden verworpen.
Wel oordeelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte slechts één dwangsom wegens niet tijdig beslissen had vastgesteld, terwijl er feitelijk drie dwangsommen verbeurd zijn. De Afdeling vernietigde dit deel van de uitspraak, stelde de hoogte van de dwangsommen opnieuw vast en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten. Voor het overige werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond voor de dwangsom wegens niet tijdig beslissen; deze wordt opnieuw vastgesteld en het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding, verder wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd.