ECLI:NL:RVS:2023:2691
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boete en dwangsom wegens onrechtmatig opgelegde woonruimte-omzetting
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde aan appellant een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete op wegens het zonder vergunning omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte in een pand te Den Haag. Het college baseerde zijn besluiten op inspectierapporten die onzelfstandige bewoning constateerden. Appellant voerde aan dat hij geen overtreder was omdat het pand in 2015 verbeurd was verklaard en hij geen eigenaar of verhuurder was.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, maar appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant ten tijde van de besluiten nog eigenaar was van het pand, mede vanwege de verbeurdverklaring en het ontbreken van een juridische onderbouwing door het college. Ook was twijfel over het verhuurderschap van appellant.
Daarom was appellant niet aan te merken als overtreder en was het college niet bevoegd de boete op te leggen of de dwangsom te innen. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond, herroept de boete- en dwangsombesluiten en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De boete en dwangsom worden vernietigd omdat appellant niet als overtreder kon worden aangemerkt.