ECLI:NL:RVS:2023:2765
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 14 mei 2020 de aanvragen van twee vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat op 29 december 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen tegen deze besluiten ongegrond. Hiertegen stelden de vreemdelingen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagt, omdat zij onvoldoende had meegewogen dat de staatssecretaris bij een beroep op dit artikel een volledige belangenafweging moet maken. De rechtbank en de staatssecretaris hadden zich beperkt tot het vaststellen dat er geen hechte persoonlijke banden of meer dan normale emotionele banden bestonden, zonder een volledige belangenafweging.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en de besluiten van 29 december 2020, en droeg de staatssecretaris op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen. Daarbij moet de staatssecretaris de vreemdelingen horen en een volledige belangenafweging maken op basis van de actuele feiten en omstandigheden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis en de besluiten worden vernietigd, en de staatssecretaris moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met een volledige belangenafweging.