ECLI:NL:RVS:2022:3935
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris op 20 augustus 2019 werd afgewezen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd eveneens ongegrond verklaard op 16 juli 2020. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond op 2 juli 2021. De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro niet slaagde, omdat de rechtbank en staatssecretaris onvoldoende rekening hadden gehouden met de hechte persoonlijke banden tussen de vreemdeling en haar minderjarige kleinkind in Nederland. De staatssecretaris had geen volledige belangenafweging verricht waarbij alle relevante feiten en omstandigheden waren betrokken.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en het besluit van de staatssecretaris en droeg op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de staatssecretaris de vreemdeling moet horen en een volledige belangenafweging moet maken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is vernietigd en een nieuw besluit moet worden genomen met een volledige belangenafweging.