ECLI:NL:RVS:2023:2772
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering openbaarmaking handtekeningen en interne beleidsstukken op grond van Wob
De zaak betreft een hoger beroep van appellant tegen de minister voor Rechtsbescherming over een verzoek tot openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) met betrekking tot het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar CJIB 2013.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat handtekeningen van ambtenaren niet openbaar hoeven te worden gemaakt vanwege het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ook een e-mail (stuk 12F) met interne beleidsopvattingen behoefde niet openbaar te worden gemaakt omdat deze bedoeld was voor intern beraad.
Appellant voerde aan dat de handtekeningen al openbaar waren en dat feitelijke informatie in stuk 12F wel openbaar gemaakt kon worden. De Afdeling verwierp deze bezwaren en bevestigde dat het belang van persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan openbaarheid van handtekeningen en dat feitelijke gegevens niet gescheiden konden worden van persoonlijke beleidsopvattingen in het interne stuk.
Verder had de minister andere stukken alsnog openbaar gemaakt na eerdere vernietiging door de rechtbank, waardoor appellant onvoldoende belang had bij verdere beoordeling daarvan. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot openbaarmaking van handtekeningen en interne beleidsstukken wordt bevestigd.