ECLI:NL:RVS:2023:160
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering openbaarmaking naam en handtekeningen op grond van privacybelang
De zaak betreft een verzoek van appellant om op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) informatie over de naam van een buitengewoon opsporingsambtenaar en handtekeningen van ondertekenaars van mandaatbesluiten openbaar te maken. De fiets van appellant was verwijderd wegens verkeerd parkeren en er was een proces-verbaal opgemaakt.
De minister heeft dit verzoek deels toegewezen maar geweigerd de naam van de opsporingsambtenaar en de handtekeningen openbaar te maken, vanwege het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het risico op misbruik van handtekeningen. Dit besluit werd bevestigd bij bezwaar en door de rechtbank.
Appellant stelde in hoger beroep dat onvoldoende was gemotiveerd waarom het privacybelang zwaarder woog dan het openbaar belang. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat de naam terecht is weggelakt omdat de ambtenaar niet uit hoofde van zijn functie in de openbaarheid treedt en appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het openbaar belang zwaarder is.
Ook de weigering tot openbaarmaking van handtekeningen is gerechtvaardigd vanwege het risico op identiteitsfraude, temeer daar de namen van deze personen wel openbaar zijn gemaakt. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot openbaarmaking van de gevraagde gegevens bevestigd.