ECLI:NL:RVS:2023:2950
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing verzoek dwangsom wegens te late beslissing bezwaar zorgtoeslag
Appellant verzocht de Belastingdienst/Toeslagen om een dwangsom toe te kennen wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de afwijzing van een herzieningsverzoek zorgtoeslag 2016. De Belastingdienst wees dit verzoek af, waarna appellant bezwaar maakte dat deels werd gehonoreerd, maar de rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de dwangsomregeling wel van toepassing is en dat de Belastingdienst in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelde door de regeling niet toe te passen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het besluit tot herziening van een definitieve tegemoetkoming een nieuw besluit is als bedoeld in artikel 14 Awir Pro, maar de besluiten van 16 juni en 26 augustus 2022 in deze zaak zijn geen besluiten tot toekenning van een tegemoetkoming. Daarom is de dwangsomregeling van paragraaf 4.1.3.2 Awb niet van toepassing. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat appellant geen nieuwe argumenten aanvoert tegen de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2022 wordt bevestigd. De Belastingdienst hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; appellant heeft geen recht op dwangsom wegens niet-tijdige beslissing bezwaar zorgtoeslag.