ECLI:NL:RVS:2023:3059
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens ontbreken opzettelijk geweldsmisdrijf
De moeder heeft namens haar minderjarige zoon een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven aangevraagd omdat hij getuige was van verbaal en mogelijk stelselmatig fysiek geweld tussen zijn vader en diens vriendin. De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af omdat het verbaal geweld niet kwalificeert als een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf en de moeder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van stelselmatig fysiek geweld.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat er geen bewijs was dat de vader met opzet het kind wilde beschadigen, noch dat het fysieke geweld frequent en langdurig genoeg was om als stelselmatig te worden beschouwd. De moeder voerde in hoger beroep aan dat het verbaal geweld en de corrigerende tikken van de vader wel degelijk een opzettelijk geweldsmisdrijf vormden en dat drie incidenten per jaar als stelselmatig huiselijk geweld moeten worden aangemerkt.
De Raad van State overwoog dat de moeder in hoger beroep geen nieuwe gronden had aangevoerd die de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank onjuist of onvolledig maakten. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt bevestigd.