ECLI:NL:RVS:2023:3112
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlies duurzaam verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan na langdurige afwezigheid
De zaak betreft een vreemdeling met de Italiaanse nationaliteit die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd vastgesteld geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan meer te hebben sinds 9 september 2018, omdat hij niet voldeed aan artikel 8.12 van het Vb 2000. Hoewel het bezwaar van de vreemdeling deels werd gehonoreerd met betrekking tot rechtmatig verblijf sinds 13 september 2021, werd het standpunt gehandhaafd dat hij geen duurzaam verblijfsrecht meer had vanwege een afwezigheid van meer dan twee jaar in Italië.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat artikel 16, vierde lid, van de Verblijfsrichtlijn een discretionaire bevoegdheid ('kan'-bepaling) bevatte, waardoor een belangenafweging had moeten plaatsvinden. De Raad van State verwierp dit betoog, stellende dat het gebruik van 'kan' niet impliceert dat het verlies van het verblijfsrecht discretionair is, mede gelet op de tekst in andere taalversies en de formulering 'slechts worden verloren'.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Den Haag. Tevens werd besloten dat de staatssecretaris geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 15 augustus 2023.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.