ECLI:NL:CRVB:2024:1857
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
Appellant, een Italiaanse gemeenschapsonderdaan, kreeg bijstand toegekend vanaf april 2019. De staatssecretaris stelde echter vast dat appellant sinds 10 september 2018 geen rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland had, wat betekende dat hij in de te beoordelen periode (27 januari 2021 tot 8 maart 2021) geen recht had op bijstand. Het college van burgemeester en wethouders trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij recht had op bijstand omdat hij op grond van artikel 11, tweede lid, van de Participatiewet met een Nederlander gelijkgesteld moest worden. Dit werd door de rechtbank afgewezen en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep niet slaagt omdat vaststaat dat appellant in de te beoordelen periode geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan had. Dit is bevestigd door eerdere vreemdelingenrechtelijke besluiten en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hierdoor kon appellant niet met een Nederlander worden gelijkgesteld en had hij geen recht op bijstand in die periode.
De intrekking en terugvordering van de bijstand blijven daarom in stand. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 17 september 2024.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellant in de te beoordelen periode geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan had.