ECLI:NL:RVS:2023:3218
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- B.P. Vermeulen
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen instellingscollegegeld voor tweede bachelor Geneeskunde ondanks COVID-19 omstandigheden
Het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam bepaalde dat appellant het instellingscollegegeld van €20.700 voor de bachelor Geneeskunde moest betalen, omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor het wettelijk collegegeld. Appellant had aanvankelijk gepland de bachelor Verpleegkunde niet af te ronden om overlap te creëren en zo wettelijk collegegeld te betalen, maar rondde deze opleiding alsnog af vanwege haar inzet tijdens de COVID-19-pandemie.
Appellant verzocht om toepassing van de hardheidsclausule en betoogde dat zij door morele dwang vanuit de maatschappij en werkgever onvrijwillig de opleiding Verpleegkunde had afgerond. Het college wees dit af en verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat er geen sprake was van overmacht en geen bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde dit oordeel. Zij overwoog dat appellant bewust had gekozen de opleiding af te ronden en zich bewust was van de gevolgen voor het collegegeld. Ook wees de Afdeling het beroep af dat het college onvoldoende had geprobeerd een minnelijke schikking te bereiken, omdat de wettelijke verplichting slechts vereist dat wordt nagegaan of een schikking mogelijk is.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het instellingscollegegeld is ongegrond verklaard.