ECLI:NL:RVS:2023:322

Raad van State

Datum uitspraak
25 januari 2023
Publicatiedatum
25 januari 2023
Zaaknummer
202207500/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Schipper-Spanninga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking aan toezicht

Bij besluit van 15 december 2022 stelde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de vreemdeling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 in bewaring kon worden gesteld, omdat de vreemdeling geen documenten overlegde waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijken en er voldoende gronden waren voor het aannemen van een risico op onttrekking aan toezicht.

Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, zodat het hoger beroep ongegrond werd verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de bewaring van de vreemdeling wordt bevestigd.

Uitspraak

202207500/1/V3.
Datum uitspraak: 25 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 december 2022 in zaak nr. NL22.25759 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 23 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.C. van den Berg, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen over artikel 59b van de Vw 2000, is elke grond van die bepaling voldoende om een vreemdeling in bewaring te stellen (uitspraak van 13 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1528, onder 3.2). Nu de vreemdeling geen document heeft overgelegd waaruit zijn gestelde identiteit en nationaliteit blijkt en er voldoende bewaringsgronden zijn om een risico op onttrekking aan het toezicht aan te nemen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de vreemdeling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 in bewaring kon worden gesteld.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2023
644