ECLI:NL:RVS:2023:340
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A. Kuijer
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 18 augustus 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de referent om aan de vreemdelingen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen af. Hiertegen maakten de vreemdelingen en de referent bezwaar, dat op 1 juni 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde men beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 6 december 2021 het beroep eveneens ongegrond verklaarde.
De vreemdelingen en de referent stelden hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hoger beroep werd onder meer geklaagd over de terughoudende toetsing van de belangenafweging door de rechtbank in het kader van artikel 8 EVRM Pro. De Afdeling verwierp deze grief en bevestigde dat de toetsingsintensiteit van de uitkomst van de belangenafweging door de staatssecretaris niet is gewijzigd en dat de rechtbank terecht enigszins terughoudend heeft getoetst.
De overige grieven werden niet inhoudelijk behandeld omdat deze geen vragen bevatten die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.