ECLI:NL:RVS:2013:BZ8680
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake ongewenstverklaring en verblijfsvergunning vreemdeling
De minister van Justitie heeft op 1 april 2010 het verzoek van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verkrijgen of de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlengen, afgewezen. Tevens is de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ingetrokken en is de vreemdeling ongewenst verklaard. De vreemdeling maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de overwegingen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank de strafmaat, de gedragingen van de vreemdeling tijdens detentie, de banden met Nederland en Irak, en de betekenis van de relatie met zijn vriendin niet op juiste wijze heeft beoordeeld. De Afdeling stelt dat de staatssecretaris bij de belangenafweging voldoende beoordelingsruimte toekomt en dat het algemeen belang bij handhaving van de openbare orde en veiligheid prevaleert boven het belang van de vreemdeling.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot handhaving van de ongewenstverklaring ongegrond. Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en het beroep van de vreemdeling tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard.