ECLI:NL:RVS:2023:3566
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onterecht niet-ontvankelijkheid in zaak machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 augustus 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 20 augustus 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk omdat de vreemdeling inmiddels in Nederland verbleef en de machtiging niet meer nodig zou zijn voor toegang.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde. De machtiging tot voorlopig verblijf heeft immers ook het rechtsgevolg dat de houder ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgt onder dezelfde beperkingen. Hierdoor heeft de vreemdeling wel degelijk belang bij het beroep.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van € 837,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Hoger beroep gegrond verklaard, uitspraak rechtbank vernietigd en zaak terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.