ECLI:NL:RVS:2022:1776

Raad van State

Datum uitspraak
23 juni 2022
Publicatiedatum
22 juni 2022
Zaaknummer
202103855/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 14, tweede lid, Vw 2000Art. 54, eerste lid, onder e, Vw 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken gezinsverband

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 1 mei 2020 de aanvraag van vreemdeling 1 om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep ongegrond verklaarde, werd hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De staatssecretaris stelde dat de vreemdelingen geen belang meer hadden bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat vreemdeling 1 inmiddels in Nederland verbleef. Dit werd verworpen omdat de machtiging tot voorlopig verblijf ook de grondslag vormt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen aanleiding gaf tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, die terecht had geoordeeld dat de vreemdelingen sinds 2017 niet meer in gezinsverband samenleven. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.

Uitspraak

202103855/1/V1.
Datum uitspraak: 23 juni 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 mei 2021 in zaak nr. 21/104 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdelingen om vreemdeling 1 een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 december 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 mei 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. N. Vreede, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De vreemdelingen en de staatssecretaris hebben desgevraagd nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris betoogt dat de vreemdelingen geen belang meer hebben bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat vreemdeling 1 inmiddels in Nederland verblijft en de machtiging tot voorlopig verblijf, die is bedoeld voor de toegang tot Nederland, dus niet meer nodig is. Dit betoog slaagt niet. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 verleent de staatssecretaris de houder van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf binnen twee weken nadat deze zich overeenkomstig artikel 54, eerste lid, onder e, heeft aangemeld, ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder dezelfde beperking als die waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend. Het rechtsgevolg van een machtiging tot voorlopig verblijf is dus meer dan toestemming om toegang te krijgen tot Nederland. De vreemdelingen hebben daarom belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
2.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.1.    De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de vreemdelingen al sinds 2017 niet meer in gezinsverband samenleven. De Afdeling neemt deze motivering over.
3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Beerse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2022
382-927