ECLI:NL:RVS:2023:3666
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- J.Th. Drop
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Recht op consulaire bijstand bij grensdetentie op grond van de Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling was in grensdetentie gesteld na het indienen van een asielaanvraag op Schiphol en voerde onder meer aan dat hij onterecht niet was gewezen op zijn recht op consulaire bijstand.
De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht of artikel 36, eerste lid, aanhef en onder b, van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen ook van toepassing is op grensdetentie. Geconcludeerd werd dat dit recht onverkort geldt en dat de staatssecretaris de vreemdeling had moeten informeren over zijn recht op consulaire bijstand. Het niet wijzen op dit recht vormt een schending.
Desondanks oordeelde de Afdeling dat deze schending niet leidt tot onrechtmatigheid van de vrijheidsontnemende maatregel, omdat het grensbewakingsbelang zwaarder weegt en de vreemdeling geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die de detentie onevenredig bezwarend maken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel blijft in stand ondanks schending van het recht op consulaire bijstand.