ECLI:NL:RVS:2022:1536
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel ondanks tekortkoming consulaire bijstand
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 2 december 2021 aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling klaagde dat de rechtbank ten onrechte twijfelde aan de toepasselijkheid van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 op de maatregel en dat zij ten onrechte oordeelde dat zij zelf om consulaire bijstand moest verzoeken. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank onjuist was in haar interpretatie, aangezien de staatssecretaris verplicht is de vreemdeling te wijzen op het recht op consulaire bijstand. Dit was niet gebeurd, waardoor het belang van de vreemdeling was geschaad.
Desondanks leidde deze tekortkoming niet tot vernietiging van de uitspraak, omdat de belangen van de staat zwaarwegend waren. Er lagen twee zware en twee lichte gronden ten grondslag aan de maatregel en de vreemdeling weigerde medewerking aan terugkeer. De Afdeling concludeerde dat de vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig was opgelegd en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt bevestigd ondanks het niet wijzen op consulaire bijstand.