ECLI:NL:RVS:2023:3739
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 oktober 2021 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, die op 13 december 2022 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep richtte zich onder meer op een rechtsvraag die reeds door de Afdeling was beantwoord in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2023:2446) betreffende artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag en de toegang tot het werkgebied van de UNRWA.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe relevante vragen bevatte die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd niet verplicht tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.