ECLI:NL:RVS:2023:3886
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- N. Verheij
- J.J.W.P. van Gastel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis en terugwijzing
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees bij besluit van 17 mei 2017 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis af. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang, omdat de vreemdeling inmiddels in Nederland verbleef. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het belang van de vreemdeling niet is komen te vervallen door haar verblijf in Nederland en het asielproces, omdat de machtiging tot voorlopig verblijf ook een verblijfsrecht inhoudt dat nog niet is toegekend. De rechtbank had ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 29 november 2021, en bepaalde dat de staatssecretaris binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.511,00.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit.