ECLI:NL:RVS:2023:3898

Raad van State

Datum uitspraak
23 oktober 2023
Publicatiedatum
23 oktober 2023
Zaaknummer
202203668/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:115 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en terugwijzing in zaak verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 7 oktober 2021 de aanvraag van een vreemdeling uit Irak om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde dat hij homoseksueel is en daarom gevaar loopt bij terugkeer naar Irak. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing op 24 mei 2022 ongegrond.

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd had waarom de beroepsgronden die hij aanvoerde niet afdoen aan het standpunt van de staatssecretaris. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de rechtbank niet voldeed aan artikel 8:69, eerste lid, van de Awb door niet inzichtelijk te maken waarom de beroepsgronden van de vreemdeling zijn verworpen.

Daarom vernietigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor herbehandeling, waarbij de rechtbank het oordeel van de Afdeling in acht moet nemen. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbehandeling met inachtneming van de motiveringsplicht.

Uitspraak

202203668/1/V2.
Datum uitspraak: 23 oktober 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 mei 2022 in zaak nr. NL21.17349 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 24 mei 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.L. van Leer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling komt uit Irak en heeft aan zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en daarom te vrezen heeft bij terugkeer naar Irak. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat de vreemdeling zijn asielrelaas niet aannemelijk heeft gemaakt. Het hoger beroep gaat over de vraag of de rechtbank op de beroepsgronden van de vreemdeling heeft beslist.
2.       De vreemdeling klaagt in grief een tot en met drie terecht dat de rechtbank bij haar toetsing van het geloofwaardigheidsstandpunt van de staatssecretaris niet inzichtelijk maakt waarom de daartegen gerichte beroepsgronden van de vreemdeling niet afdoen aan het standpunt van de staatssecretaris. In de uitspraak wordt namelijk alleen het standpunt van de staatssecretaris gevolgd zonder een inzichtelijke weergave en gemotiveerde bespreking van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Hierom heeft de rechtbank in afwijking van het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb geen uitspraak gedaan op de grondslag van het beroepschrift.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig om wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
4.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, van 24 mei 2022 in zaak nr. NL21.17349;
III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV.     veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2023
363-1024