ECLI:NL:RVS:2023:4017
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring voor zelfstandige woning door alleenstaande ouder
Appellant, een gescheiden alleenstaande ouder met vier kinderen waarvan drie minderjarig, heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor een zelfstandige woning om samen met zijn kinderen te kunnen wonen. De moeder van de kinderen verblijft grotendeels in het buitenland en kan de zorg niet volledig overnemen. De twee jongste kinderen zijn uit huis geplaatst en verblijven in een gezinshuis.
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de aanvraag afgewezen op grond van de algemene weigeringsgronden van de Huisvestingsverordening 2016. Het college stelt dat appellant en zijn ex-partner zelf verantwoordelijk zijn voor de zorg en dat het huisvestingsprobleem voortkomt uit hun afspraken en het vertrek van de moeder naar Malta. Appellant heeft na de scheiding geen gebruik gemaakt van zijn mogelijkheden als medehuurder.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het oordeel van de rechtbank onjuist maken. Ook is terecht overwogen dat de minderjarige kinderen niet dakloos zijn omdat zij in pleeggezinnen verblijven. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd.