ECLI:NL:RVS:2023:4115
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit huisvesting arbeidsmigranten wegens gebrekkige belangenafweging
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De Afdeling had eerder bij tussenuitspraak het college van burgemeester en wethouders van Noord-Beveland opgedragen een gebrek in het besluit van 8 juli 2021 te herstellen binnen een gestelde termijn. Dit verzoek tot herstel is door het college niet nagekomen, ondanks een afwijzing van een verlengingsverzoek.
De Afdeling constateert dat het college het besluit heeft vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en vernietigt daarom het besluit en de uitspraak van de rechtbank voor zover het beroep ongegrond werd verklaard. Het college wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij het belang van appellant moet worden afgewogen tegen het algemeen belang en de belangen van derden.
Appellant had verzocht te bepalen dat in het pand geen arbeidsmigranten mogen worden gehuisvest, maar de Afdeling wijst dit verzoek af omdat de bestuursrechter niet zelf de belangenafweging kan maken. Tevens wordt bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van 8 juli 2021 wordt vernietigd en het college wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met correcte belangenafweging.