ECLI:NL:RVS:2023:4209
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen terugkeerbesluit en bevestiging grensdetentie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft aan de vreemdeling een terugkeerbesluit opgelegd om de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De vreemdeling stelde beroep in tegen beide besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond.
De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de vreemdeling ondanks zijn vertrek naar India belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het terugkeerbesluit, mede vanwege mogelijke gevolgen voor een inreisverbod.
De Afdeling vernietigt daarom dat deel van de uitspraak van de rechtbank, maar verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit uiteindelijk ongegrond. De uitspraak van de rechtbank over de vrijheidsontnemende maatregel wordt bevestigd. De Afdeling ziet geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en de uitspraak over de vrijheidsontnemende maatregel bevestigd.