AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam op 10 juli 2023 het besluit om de asielaanvraag van de vreemdeling niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 1 augustus 2023 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De vreemdeling klaagde terecht dat de staatssecretaris verwees naar stukken uit andere procedures zonder deze te overleggen, wat in strijd is met de beginselen van fair play en equality of arms. Dit leidde echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep gegrond is omdat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag toepassen ten aanzien van Kroatië. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitspraak
202304966/1/V3.
Datum uitspraak: 15 november 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 augustus 2023 in zaak nr. NL23.19953 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 10 juli 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 1 augustus 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.J. Dijkman, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Ontvankelijkheid
1. De vreemdeling klaagt in zijn schriftelijke uiteenzetting terecht dat de staatssecretaris in strijd met de beginselen van fair play en equality of arms verwijst naar hogerberoepschriften in andere procedures, zonder deze stukken geanonimiseerd bij te voegen. Door alleen te verwijzen naar stukken waarover de vreemdeling niet beschikt, omschrijft de staatssecretaris niet de grond waarop hij zich niet met het oordeel van de rechtbank kan verenigen. De vreemdeling betoogt daarom terecht dat dat gedeelte van de grief niet voldoet aan de vereisten van artikel 85 vanPro de Vw 2000.
Maar anders dan de vreemdeling betoogt, leidt dit niet tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. De staatssecretaris heeft het resterende gedeelte van de grief namelijk toegelicht onder verwijzing naar zijn brief van 20 januari 2023 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de daarbij behorende beslisnota (Kamerstukken II 2022/2023, 19 637, nr. 3061) en de brief van de Kroatische autoriteiten van 15 november 2022. Dat is openbare informatie waar de vreemdeling wel over kan beschikken.
Beoordeling hoger beroep
2. De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag of de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan heeft de Afdeling bij uitspraak van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, vloeit voort dat de grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 1 augustus 2023 in zaak nr. NL23.19953;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.