ECLI:NL:RVS:2023:4493

Raad van State

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
5 december 2023
Zaaknummer
202305247/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 4 juni 2021 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 2 mei 2023 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris betwistte alleen het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, maar niet het oordeel dat het voor de vreemdeling niet reëel mogelijk was om deel te nemen aan het DNA-onderzoek op de ambassade in Ethiopië of Soedan.

De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. Tevens werd een griffierecht opgelegd. Hiermee is het besluit van de rechtbank in stand gebleven en moet de staatssecretaris een nieuw besluit nemen dat voldoet aan de vereiste zorgvuldigheid en motivering.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

202305247/1/V1.
Datum uitspraak: 5 december 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 20 juli 2023 in zaak nr. NL23.15910 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 2 mei 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 20 juli 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H.J. Janse, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    De rechtbank heeft namelijk onder 21 tot en met 23 een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek geconstateerd. De staatssecretaris komt in hoger beroep alleen op tegen dat oordeel. Hij is niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank, dat het voor de vreemdeling vanuit menselijk oogpunt bezien niet daadwerkelijk en reëel mogelijk is om deel te nemen aan het door de staatssecretaris aangeboden DNA-onderzoek op de Nederlandse ambassade in Ethiopië of Soedan. Het door de rechtbank geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek laat zich (los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn) eenvoudig herstellen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.      bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Keizer
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2023
716-1078