ECLI:NL:RVS:2023:4493
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 4 juni 2021 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 2 mei 2023 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris betwistte alleen het geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, maar niet het oordeel dat het voor de vreemdeling niet reëel mogelijk was om deel te nemen aan het DNA-onderzoek op de ambassade in Ethiopië of Soedan.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten. Tevens werd een griffierecht opgelegd. Hiermee is het besluit van de rechtbank in stand gebleven en moet de staatssecretaris een nieuw besluit nemen dat voldoet aan de vereiste zorgvuldigheid en motivering.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.