ECLI:NL:RVS:2023:462
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 14 november 2019 aanvragen van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Hiertegen maakten de vreemdelingen en hun referent bezwaar, dat op 19 november 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten eveneens ongegrond. De vreemdelingen en referent gingen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat er geen hechte persoonlijke banden bestonden tussen de vreemdelingen en hun pleeg- of adoptiemoeder, en dat de staatssecretaris niet voldeed aan de verplichting om een volledige belangenafweging te maken op grond van artikel 8 EVRM Pro. Deze belangenafweging ontbrak in de bestreden besluiten.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze betrekking had op de besluiten van 19 november 2020. De besluiten zelf werden eveneens vernietigd en de staatssecretaris werd opgedragen binnen twaalf weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij een volledige belangenafweging moet worden gemaakt. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en de besluiten van 19 november 2020 zijn vernietigd, met opdracht tot nieuwe besluiten binnen twaalf weken.