ECLI:NL:RVS:2023:498
Raad van State
- Hoger beroep
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsommen wegens niet-recreatieve bewoning recreatieverblijven in Opmeer
De zaak betreft het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Opmeer tot invordering van €100.000 aan verbeurde dwangsommen bevestigde. Deze dwangsommen zijn opgelegd wegens het gebruik van vijf recreatieverblijven in recreatiepark West-Friesland voor niet-recreatieve bewoning, in strijd met de beheersverordening.
Het college stelde vast dat de recreatieverblijven werden bewoond door arbeidsmigranten die er voor langere tijd verbleven en werkzaam waren in de lokale landbouwsector. Dit bleek uit meerdere controles en verklaringen van bewoners, die niet werden betwist in hoger beroep. Het college legde daarom dwangsommen op en vorderde deze in nadat de overtreding niet binnen de gestelde termijn was beëindigd.
[Appellant] voerde aan dat hij niet verantwoordelijk was omdat hij in huurovereenkomsten recreatief gebruik voorschreef en dat het college geen bijzondere omstandigheden had onderzocht. De Raad van State oordeelde dat het college bevoegd was tot invordering, dat de overtreding aan [appellant] kon worden toegerekend en dat de beleidsnota over permanente bewoning niet van toepassing was. Ook was cumulatie van dwangsommen geen reden tot matiging.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van €100.000 aan dwangsommen wordt bevestigd.