ECLI:NL:RVS:2023:614
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging handhavingsbesluit verwijderen tiny house zonder vergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas legde op 9 april 2020 aan appellanten een last onder dwangsom op om een tiny house op hun perceel te verwijderen omdat dit zonder omgevingsvergunning was geplaatst. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant A ongegrond en dat van appellant B deels gegrond, waarbij de dwangsom voor B werd verlaagd.
Appellanten stelden onder meer dat het tiny house niet als bouwwerk kon worden aangemerkt, dat het college onterecht twee afzonderlijke lasten had opgelegd, en dat het vertrouwensbeginsel en de financiële draagkracht van appellant A tot afzien van handhaving en invordering moesten leiden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het tiny house wel een bouwwerk is vanwege het plaatsgebonden karakter, dat het college bevoegd was tot handhaving en invordering, en dat geen sprake was van concreet zicht op legalisatie.
Verder werd geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel niet strekte tot het afzien van handhaving en dat financiële omstandigheden van appellant A onvoldoende waren onderbouwd om invordering te voorkomen. Ook was het opleggen van twee afzonderlijke lasten aan beide eigenaren gerechtvaardigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.