ECLI:NL:RVS:2023:690
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierechtelijke relatie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 12 juni 2020 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af, omdat de identiteit van de vreemdeling en de familierechtelijke relatie met de moeder niet aannemelijk waren gemaakt. Referent, die nareis van zijn dochter verzocht, maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door de staatssecretaris en vervolgens door de rechtbank werd afgewezen.
In hoger beroep klaagde referent terecht dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de bewijswaarde van de doopakte en de ARRA-registratie, waarbij de rechtbank onvoldoende rekening hield met de erkende werkwijze van Bureau Documenten en ARRA. Desondanks leidde dit niet tot vernietiging van het vonnis, omdat de familierechtelijke relatie niet aannemelijk was gemaakt, wat een zelfstandige grond van afwijzing vormde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden en wees de grieven af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.