ECLI:NL:RVS:2023:708
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing vrijstelling inburgeringsplicht wegens onjuiste toepassing ontheffingsmogelijkheid
Appellant, die sinds 1989 in Nederland verblijft en werkt, vroeg vrijstelling van de inburgeringsplicht aan. De minister wees dit af omdat appellant inburgeringsplichtig is volgens artikel 3 van Pro de Wet inburgering en geen vrijstellingsgrond aanwezig is. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
Appellant voerde aan dat hij reeds voldoende ingeburgerd is en dat het behalen van het inburgeringsexamen onevenredig belastend is. De Afdeling oordeelt dat appellant niet automatisch vrijgesteld is omdat hij lang in Nederland verblijft en werkt, maar dat de minister had moeten beoordelen of appellant in aanmerking komt voor ontheffing op grond van aantoonbaar voldoende ingeburgering, zoals geregeld in artikel 2.8a van het Besluit inburgering en artikel 2.4a van de Regeling inburgering.
De Afdeling vernietigt het besluit en de uitspraak van de rechtbank en draagt de minister op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de ontheffingsmogelijkheid moet worden betrokken. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de aanvraag om vrijstelling van de inburgeringsplicht wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen waarbij de ontheffingsmogelijkheid wordt betrokken.