ECLI:NL:RVS:2023:89
Raad van State
- Hoger beroep
- A. ten Veen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering gedeeltelijke intrekking revisievergunning veehouderij in Sambeek
Op 5 april 2011 verleende het college een revisievergunning voor een veehouderij aan een perceel in Sambeek, inclusief de oprichting van een extra stal voor 1.120 vleesvarkens. Appellant, wonende nabij de inrichting, verzocht in december 2018 om gedeeltelijke intrekking van deze vergunning omdat de stal na drie jaar niet was gerealiseerd. Het college wees dit verzoek in april 2020 af, waarbij het belang van de vergunninghouder zwaarder werd gewogen dan het belang van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond in augustus 2021. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij stelde dat het college op grond van artikel 2.33, tweede lid, Wabo verplicht was de vergunning gedeeltelijk in te trekken omdat de stal niet was gerealiseerd en de vergunninghouder geen belang meer had bij het behoud van de vergunning.
De Afdeling overwoog dat het college weliswaar bevoegd was tot intrekking, maar beleidsruimte heeft om belangen af te wegen, waaronder de rechten die de vergunning biedt voor de nieuwe aanvraag en het ontbreken van voldoende onderbouwing van geuroverlast. De Afdeling bevestigde het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van gedeeltelijke intrekking van de vergunning wordt bevestigd.