ECLI:NL:RVS:2024:1025
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen toekenning verblijfsvergunning asiel
Bij besluit van 8 september 2021 verleende de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, maar dit werd op 19 augustus 2022 niet-ontvankelijk verklaard.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In het hogerberoepschrift werd slechts een rechtsvraag aangevoerd die reeds eerder door de Afdeling was beantwoord, met name over het belang van doorprocederen over de verleningsgrond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en de toepassing van artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is omdat het geen nieuwe relevante rechtsvragen bevat die rechtvaardigen dat de eerdere uitspraak wordt vernietigd. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.