ECLI:NL:RVS:2024:1087

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2024
Publicatiedatum
18 maart 2024
Zaaknummer
202206170/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep in asielzaak

De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake zijn asielaanvraag. De staatssecretaris nam vervolgens binnen de gestelde termijn een besluit waarbij de aanvraag werd toegewezen. Hierop trok de vreemdeling het hoger beroep in en verzocht om proceskostenveroordeling van de staatssecretaris. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet aan het verzoek had voldaan omdat het besluit tijdig was genomen en het belang van de vreemdeling niet anderszins was komen te vervallen.

De rechtbank had eerder geoordeeld dat de staatssecretaris niet tijdig een besluit had genomen en had hem veroordeeld tot een proceskostenvergoeding. Na het besluit van de staatssecretaris op 28 november 2022 werd het hoger beroep ingetrokken. De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris met het besluit niet aan de vreemdeling tegemoet was gekomen in de zin van artikel 8:75a Awb.

Daarom wees de Afdeling het verzoek af en veroordeelde de staatssecretaris niet tot het betalen van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Raad van State op 18 maart 2024.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het besluit tijdig is genomen en het belang van de vreemdeling niet anderszins is vervallen.

Uitspraak

202206170/1/V3.
Datum uitspraak: 18 maart 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).
Procesverloop
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Thelosen, advocaat te Amsterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 5 oktober 2022, in zaak nr. NL22.16089.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft een nader stuk ingediend.
De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
De staatssecretaris heeft verweer gevoerd tegen het verzoek om proceskostenveroordeling.
Bij brief van 24 november 2023 heeft de vreemdeling daarop gereageerd.
Overwegingen
1.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris niet tijdig een besluit heeft genomen op de asielaanvraag van de vreemdeling. Zij heeft de staatssecretaris opgedragen dit alsnog te doen en hem veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding. Op 29 november 2022 heeft de staatssecretaris per brief meegedeeld dat hij bij besluit van 28 november 2022 de aanvraag heeft toegewezen. In reactie op de brief heeft de vreemdeling zijn hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig een verzoek gedaan om de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de proceskosten te veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de staatssecretaris aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het belang anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855).
2.       De staatssecretaris heeft binnen de door de rechtbank gestelde termijn het besluit van 28 november 2022 genomen. Om die reden is de staatssecretaris met dat besluit niet tegemoetgekomen aan de vreemdeling als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Verder is het belang bij een uitspraak op het hoger beroep van de vreemdeling ook niet anderszins door toedoen van de staatssecretaris vervallen.
3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2024
873-1023