ECLI:NL:RVS:2024:1105
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na herziening intrekking
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had in 2002 de verblijfsvergunning asiel van de vreemdeling ingetrokken op grond van een verkeerde identiteit. Na een herzieningsverzoek in 2018 werd de vergunning opnieuw verleend met ingang van de datum van het verzoek. De rechtbank stelde echter de ingangsdatum vast op 1 april 2001, de datum waarop de vreemdeling onder de Vreemdelingenwet 2000 een verblijfsvergunning bezat.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze vaststelling, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde tegen de keuze van de rechtbank. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het intrekkingsbesluit uit 2002 op een onjuiste feitenvaststelling berustte en dat de vreemdeling altijd de juiste persoon was.
De Raad van State verwierp het hoger beroep van de staatssecretaris en stelde het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling in het gelijk. De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 10 maart 1994, de datum van de oorspronkelijke aanvraag als vluchteling. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt vastgesteld op 10 maart 1994.