ECLI:NL:RBDHA:2022:7314
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na herziening intrekkingsbesluit
Eiser, van Iraakse nationaliteit, had sinds 1 april 2001 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. In 2002 werd deze vergunning ingetrokken vanwege vermeende onjuiste persoonsgegevens. Na langdurige procedures is vastgesteld dat eiser inderdaad de Iraakse identiteit heeft en niet de vermeende andere identiteit. Verweerder heeft het verzoek om herziening van de intrekking in 2021 ingewilligd met ingang van 22 maart 2018, de datum van het herzieningsverzoek.
Eiser betwistte de ingangsdatum en stelde dat de vergunning met terugwerkende kracht vanaf 1994 had moeten gelden, om een verblijfsgat te voorkomen en het naturalisatieproces te faciliteren. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de ingangsdatum niet eerder kon worden vastgesteld en dat het intrekkingsbesluit uit 2002 achteraf gezien op een onjuiste feitenvaststelling berust.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft en stelde deze zelf vast op 1 april 2001, aansluitend bij de invoering van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens veroordeelde de rechtbank verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 1 april 2001 en vernietigt het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft.