ECLI:NL:RVS:2024:1161
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering openbaarmaking rapport gratieverzoek op grond van eenheid van de Kroon
In deze zaak hebben appellanten verzocht om openbaarmaking van een rapport dat betrekking heeft op een gratieverzoek van appellant A, die in 1984 tot levenslange gevangenisstraf is veroordeeld en waarvan het resterende deel van de straf is kwijtgescholden bij Koninklijk Besluit. De minister heeft dit verzoek geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), omdat openbaarmaking de eenheid van de Kroon zou kunnen schaden.
De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen deze weigering ongegrond verklaard, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel. De Afdeling overweegt dat het rapport valt onder de weigeringsgrond omdat het correspondentie betreft tussen de minister en de Koning over een door de Koning uit te oefenen bevoegdheid. Daarbij is niet vereist dat sprake is van een meningsverschil tussen de Koning en de minister.
Appellanten stelden dat de weigering in strijd is met artikel 10 EVRM Pro, omdat het rapport van belang is voor het publieke debat over levenslange gevangenisstraffen en gratieprocedures. De Afdeling oordeelt echter dat op grond van vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen algemeen recht op informatie bestaat en dat de belangenafweging van de minister rechtmatig is geweest.
De Afdeling concludeert dat de minister het verzoek terecht heeft geweigerd en verklaart het hoger beroep ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de weigering van de minister om het rapport openbaar te maken vanwege de bescherming van de eenheid van de Kroon.