AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging bewaring vreemdeling en onbevoegdheid hoger beroep voortduren maatregel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 28 juli 2023 in bewaring en verlengde deze maatregel op 22 januari 2024 met maximaal twaalf maanden. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze verlenging ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep tegen het verlengingsbesluit geen aanleiding gaf tot vernietiging van de rechtbankuitspraak en bevestigde deze zonder nadere motivering. Tevens zag de Afdeling geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
Ten aanzien van het hoger beroep tegen het voortduren van de maatregel verklaarde de Afdeling zich onbevoegd, omdat tegen dat besluit geen hoger beroep openstaat, tenzij sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, wat hier niet het geval was. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de rechtbankuitspraak en verklaart zich onbevoegd het hoger beroep tegen het voortduren van de bewaring te behandelen.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 februari 2024 in zaken nrs. NL24.4425 en NL24.5318 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij besluit van 22 januari 2024 heeft de staatssecretaris de termijn van deze bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden.
Bij uitspraak van 23 februari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
In het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL24.4425 (verlengingsbesluit)
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt in zoverre bevestigd.
In het hoger beroep tegen de uitspraak in zaak nr. NL24.5318 (voortduren van de maatregel)
3. De uitspraak van de rechtbank gaat over het voortduren van de maatregel van bewaring (artikel 96 vanPro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
4. Wat de vreemdeling in hoger beroep aanvoert, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen. Het verbod op hoger beroep kan alleen worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Dit doet zich hier niet voor.
5. De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
In zaken nrs. NL24.4425 en NL24.5318
6. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. NL24.4425;
II. verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep, voor zover gericht tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. NL24.5318, kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.