ECLI:NL:RVS:2024:143
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering openbaarmaking e-mail wegens bescherming persoonlijke levenssfeer
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Maastricht om openbaarmaking van documenten over een vermeende radicalisering van hem. Het college vond één relevante e-mail en weigerde openbaarmaking op grond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, omdat de e-mail niet zodanig geanonimiseerd kon worden dat individuele personen niet te herleiden waren.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het publieke belang van openbaarheid niet opwoog tegen het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokken medewerkers. De Raad van State bevestigt deze uitspraak na behandeling van het hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat het recht op openbaarmaking uitsluitend het publieke belang dient en dat het persoonlijke belang van appellant niet meeweegt. De bescherming van de anonimiteit van melders is essentieel voor het vertrouwen in het meldingssysteem. De inhoud van de e-mail kan niet geanonimiseerd worden zonder onleesbaarheid. Het feit dat het gaat om een melding van gedrag en niet van strafbare feiten doet hier niet aan af.
Appellant voerde ook aan dat het onthouden van deze informatie strijd oplevert met artikel 6 EVRM Pro, maar de Afdeling oordeelt dat dit artikel niet van toepassing is op Wob-procedures. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot openbaarmaking van de e-mail bevestigd.