ECLI:NL:RVS:2024:1473
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A. Kuijer
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken gegronde vrees voor vervolging
De vreemdeling, afkomstig uit Colombia, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor zichzelf en haar minderjarige kind. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek bij besluit van 23 maart 2023 af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond op 24 november 2023. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
In het hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank niet had ingegaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie over het begrip politieke overtuiging. De Raad van State oordeelde echter dat dit niet tot een ander oordeel leidt omdat de rechtbank terecht had vastgesteld dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestond. De rechtbank had het realiteitsgehalte van de vermoedens van de vreemdeling getoetst aan objectieve landeninformatie en het standpunt van de staatssecretaris.
Verder werd overwogen dat de vreemdeling na een korte periode van voorarrest in vrijheid was gesteld en dat haar aanhouding als illegaal was beoordeeld. Zij had toegang tot juridische bijstand en kon tot maart 2022 in Colombia wonen en reizen. De vreemdeling had niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico liep op een valse veroordeling of ernstige schade bij terugkeer.
De klacht dat de rechtbank ten onrechte had gesteld dat zij was vrijgesproken, leidde ook niet tot vernietiging van het vonnis, omdat de aanhouding illegaal was en gebrek aan bewijs bestond. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt bevestigd.