ECLI:NL:RVS:2017:957
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingen geweigerd verblijfsvergunning wegens onvoldoende bescherming in Brazilie
De staatssecretaris heeft op 26 oktober 2015 de aanvragen van drie vreemdelingen voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen. De rechtbank verklaarde deze beroepen gegrond en vernietigde de besluiten. De staatssecretaris stelde hoger beroep in, terwijl de vreemdelingen een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep indienden.
De kern van het geschil betreft de vraag of de vreemdelingen in Brazilië bescherming konden krijgen tegen dreiging van een drugshandelaar en corrupte politieagenten. De staatssecretaris stelde dat in Brazilië in het algemeen bescherming wordt geboden en dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat het vragen om bescherming bij hogere autoriteiten zinloos of gevaarlijk was. De vreemdelingen voerden aan dat het gevaar zo acuut was dat zij zich niet tot hogere autoriteiten konden wenden.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat het vragen om bescherming bij hogere instanties niet doeltreffend was. De vreemdelingen hadden niet voldoende onderbouwd dat het gevaarlijk of zinloos was om bescherming te vragen. Ook het feit dat zij niet alle relevante feiten aan de plaatselijke politie hadden gemeld, speelde mee. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen ongegrond.
Verder oordeelde de Raad dat er geen sprake was van een beschermingswaardig gezinsleven tussen de vreemdelingen en hun halfzus in Nederland, zodat ook op grond van artikel 8 EVRM Pro geen verblijfsvergunning werd toegekend. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de beroepen van de vreemdelingen worden ongegrond verklaard.