ECLI:NL:RVS:2024:1488
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens intrekking verblijfsvergunning kennismigrant
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft het verzoek van de vreemdeling om het Nederlanderschap te verkrijgen afgewezen omdat haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid als kennismigrant' was ingetrokken. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten eveneens ongegrond.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat geen sprake was van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 10 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Zij voerde aan dat zij niet alleen niet wist dat zij melding moest maken van haar aandeelhouderschap in Met Shipping Pte. Ltd., maar ook dat er feitelijk niets was veranderd en dat de regelgeving onduidelijk was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat artikel 10 RWN Pro niet van toepassing is op de afwijzing op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN, omdat dit artikellid niet genoemd wordt in artikel 10. Daarnaast hoeft de staatssecretaris zich bij de naturalisatiebeslissing niet te vergewissen van de deugdelijkheid van de intrekking van de verblijfsvergunning. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met verbetering van de gronden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.