ECLI:NL:RVS:2024:1616
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen termijn en dwangsom bij kinderopvangtoeslagcompensatie
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Belastingdienst/Toeslagen over haar recht op kinderopvangtoeslagcompensatie in het kader van de toeslagenaffaire.
De rechtbank Midden-Nederland had bepaald dat de dienst uiterlijk 1 juli 2024 een besluit moest nemen en een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding moest betalen. Appellante ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank haar termijnstelling moet aanpassen op grond van de in een eerdere uitspraak vastgestelde beslistermijnen. De dienst moet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een vooraankondiging doen en vervolgens binnen twee weken na ontvangst van een zienswijze of het verstrijken van die termijn een besluit nemen.
De Afdeling vernietigt het eerdere vonnis en legt de nieuwe termijn en dwangsomregeling op, waarbij de dwangsom maximaal € 15.000 bedraagt. Tevens veroordeelt zij de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Er is geen aanleiding voor een afwijkende termijn in dit individuele geval.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en nieuwe beslistermijnen met dwangsomregeling opgelegd aan de Belastingdienst/Toeslagen.