ECLI:NL:RVS:2024:1619

Raad van State

Datum uitspraak
17 april 2024
Publicatiedatum
17 april 2024
Zaaknummer
202304586/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbWet hersteloperatie toeslagenartikel 2.1 Wet hersteloperatie toeslagenartikel 2.7 Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over beslistermijn kinderopvangtoeslag bezwaar

De zaak betreft het hoger beroep van een ouder die bezwaar maakte tegen besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen over haar recht op kinderopvangtoeslag, onderdeel van de toeslagenaffaire. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de dienst uiterlijk 1 juli 2024 een besluit moest nemen en een dwangsom moest betalen bij overschrijding.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat de rechtbank dit oordeel niet kan handhaven, gelet op eerder vastgestelde uitgangspunten over beslistermijnen na een gegrond verklaard beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De dienst moet binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit nemen.

Verder wordt bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen een dwangsom van €100 per dag moet betalen bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Ook worden proceskosten en griffierecht aan de appellant vergoed. De uitspraak is openbaar en gewezen door de enkelvoudige kamer van de Raad van State.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden vonnis vernietigd en de Belastingdienst/Toeslagen wordt opgedragen binnen zes weken een besluit te nemen met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

202304586/1/A2.
Datum uitspraak: 17 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te De Bilt,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 23 juni 2023 in zaak nr. 23/238 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen
Procesverloop
Bij twee afzonderlijke besluiten van 24 februari 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen beslist op het verzoek van [appellante] om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag.
[appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 24 februari 2022.
Bij uitspraak van 23 juni 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar door de Belastingdienst/Toeslagen gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd. De rechtbank heeft de dienst opgedragen uiterlijk op 1 juli 2024 alsnog een besluit bekend te maken en daarbij bepaald dat de dienst aan [appellante] een dwangsom van € 100,00 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       [appellante] heeft zich bij de Belastingdienst/Toeslagen gemeld als ouder van wie ten onrechte de kinderopvangtoeslag is stopgezet en teruggevorderd (ook bekend als de kinderopvangtoeslagaffaire). In de Wet hersteloperatie toeslagen zijn verschillende financiële compensatieregelingen neergelegd voor gedupeerde ouders. Als een ouder zich heeft gemeld, beoordeelt de Belastingdienst/Toeslagen of deze in aanmerking komt voor een eenmalig forfaitair bedrag van € 30.000,00 (artikel 2.7; ook bekend als de Catshuisregeling). Daarnaast kunnen gedupeerde ouders vragen om een compensatie via een integrale beoordeling van de schade of, als zij die compensatie niet hoog genoeg vinden, om een aanvullende compensatie voor hun werkelijke schade (artikel 2.1). Als een ouder het niet eens is met de toegekende compensatie, kan deze daartegen bezwaar maken.
2.       De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3209) uitgangspunten vastgesteld bij de bepaling van de beslistermijnen waarbinnen de Belastingdienst/Toeslagen een besluit moet nemen nadat een beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit (op bezwaar) door de dienst gegrond is verklaard. Deze beslistermijnen luiden, voor zover hier van belang, als volgt.
Als de Belastingdienst/Toeslagen een besluit op bezwaar moet nemen geldt een nadere beslistermijn van twaalf weken na de datum van het verweerschrift om een besluit op bezwaar bekend te maken. Van deze twaalf weken moeten ten minste zes weken zijn gelegen na de dag van verzending van de uitspraak op het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als de twaalf weken ten tijde van de uitspraak op het beroep al zijn verstreken of als de dienst geen verweerschrift heeft ingediend, geldt een termijn van zes weken na de dag van verzending van de uitspraak om een besluit op bezwaar bekend te maken.
Als in een individueel geval bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan een andere beslistermijn worden bepaald.
3.       Het hoger beroep van [appellante] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de dienst uiterlijk op 1 juli 2024 een besluit op bezwaar bekend moet maken en een dwangsom is verschuldigd voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt. Dit oordeel kan, gelet op de in de uitspraak van 23 augustus 2023 vastgestelde uitgangspunten, niet in stand blijven. Gelet hierop is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.
4.       Omdat [appellante] in afwachting is van een besluit op bezwaar en de twaalfwekentermijn na het indienen van een verweerschrift in beroep al is verstreken, zal de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen opdragen binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op bezwaar bekend te maken. Er bestaat geen aanleiding om in dit individuele geval een andere nadere beslistermijn te bepalen. De Afdeling zal verder bepalen dat de dienst aan [appellante] een dwangsom van € 100,00 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00.
5.       De Belastingdienst/Toeslagen moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 23 juni 2023 in zaak nr. 23/238, voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen uiterlijk 1 juli 2024 een besluit op het bezwaar van [appellante] bekend moet maken en haar een dwangsom is verschuldigd voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt;
III.      draagt de Belastingdienst/Toeslagen op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit op het bezwaar van [appellante] te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
IV.      bepaalt dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] een dwangsom van € 100,00 moet betalen voor elke dag waarmee hij de onder III genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00;
V.       veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 437,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.      gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Komduur
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2024
809