ECLI:NL:RVS:2024:1648

Raad van State

Datum uitspraak
19 april 2024
Publicatiedatum
19 april 2024
Zaaknummer
202200996/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 45 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen buiten behandeling stellen aanvraag verblijfsvergunning asiel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde op 21 januari 2022 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De kern van het geschil betrof de vraag of het asielbesluit genomen kon worden zonder dat er al een terugkeerbesluit was genomen, vanwege een nog lopend onderzoek naar adequate opvang in het land van terugkeer van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling.

De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak waarin is vastgesteld dat de Terugkeerrichtlijn niet in de weg staat aan het nemen van het asielbesluit voorafgaand aan het terugkeerbesluit, en dat artikel 45, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 gedeeltelijk buiten toepassing kan worden gelaten als meer tijd nodig is voor het onderzoek naar opvang.

De staatssecretaris had een geldige reden door te wijzen op het niet verschijnen van de vreemdeling bij nader gehoor, waardoor het onderzoek niet tijdens de asielprocedure kon worden afgerond. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.

Uitspraak

202200996/1/V3.
Datum uitspraak: 19 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 8 februari 2022 in zaak nr. NL22.1125 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 21 januari 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij uitspraak van 8 februari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.A. Blaas, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De in de grieven opgeworpen rechtsvragen over het nemen van een asielbesluit zonder terugkeerbesluit in verband met een nog te verrichten onderzoek naar adequate opvang in het land van terugkeer van de
niet-begeleide minderjarige vreemdeling, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, onder 14 tot en met 19.3, beantwoord. Uit die overwegingen volgt dat de Terugkeerrichtlijn er niet aan in de weg staat dat pas na het nemen van het asielbesluit een terugkeerbesluit wordt genomen en dat artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 gedeeltelijk buiten toepassing kan worden gelaten, wanneer de staatssecretaris meer tijd nodig heeft om het onderzoek naar adequate opvang in het land van terugkeer af te ronden. Door erop te wijzen dat de vreemdeling niet op het nader gehoor is verschenen, heeft de staatssecretaris een geldige reden gegeven voor het feit dat hij het onderzoek naar adequate opvang niet tijdens de asielprocedure heeft kunnen uitvoeren.
De grieven slagen.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
3.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 8 februari 2022 in zaak nr. NL22.1125;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024
644-1058