ECLI:NL:RVS:2024:1649

Raad van State

Datum uitspraak
19 april 2024
Publicatiedatum
19 april 2024
Zaaknummer
202301552/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 8:54 AwbArt. 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring bezwaar tegen buiten behandeling stellen uitstel van vertrek vreemdeling

De vreemdeling had bij besluit van 23 januari 2017 een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek te verkrijgen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid buiten behandeling gesteld. Vervolgens verklaarde de staatssecretaris bij besluit van 9 maart 2022 het bezwaar van de vreemdeling tegen dit besluit opnieuw ongegrond.

De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die bij uitspraak van 9 februari 2023 het beroep ongegrond verklaarde. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202301552/1/V3.
Datum uitspraak: 19 april 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 9 februari 2023 in zaak nr. NL22.4081  in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem krachtens artikel 64 van Pro de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen, buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 9 maart 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 februari 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Ceylan, advocaat te Amersfoort, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 5.5 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 april 2024
314-1021